Banner

Tips voor de ondernemers in de inkomstenbelasting

14 november 2019 | Door:  Iris Rooyakkers

Zet jouw stakingswinst om in een lijfrente

Staak je jouw onderneming in 2019? Voorkom dan directe afrekening door de stakingswinst om te zetten in een lijfrente. Betaal je de premie in 2020, dan is de lijfrente nog aftrekbaar in 2019, mits deze vóór 1 juli 2020 is betaald. Op dezelfde wijze is het ook mogelijk om de oudedagsreserve (FOR) om te zetten in een lijfrente.

De tariefsverlagingen in de komende jaren maken de aankoop van een lijfrente extra aantrekkelijk. Je trekt nu immers jouw storting af tegen maximaal 51,75%, terwijl je vanaf 2020 slechts maximaal 49,5% belasting betaalt over de uitkering.

Let op!
De betaalde lijfrentepremie vermindert de te betalen belasting, maar niet de te betalen Zvw-premie. Over de te zijner tijd te ontvangen uitkering betaal je echter ook premie Zvw. Dit betekent in feite een dubbele heffing, voor zover jouw inkomen bij uitbetaling van de lijfrentetermijnen onder de Zvw-premiegrens valt en je nu de Zvw-premiegrens nog niet hebt bereikt. Hierdoor wordt het nettorendement van de lijfrente in deze gevallen kleiner.

Plan de opname van liquiditeiten

Liquiditeiten met een laag rendement, zoals jouw bedrijfsbankrekening, kun je het best pas na 31 december overbrengen naar privé. Op die manier voorkom je de relatief hoge belasting in box 3.

Andersom is het verstandig om noodzakelijke liquiditeiten vanuit privé vóór 31 december van dit jaar over te maken naar jouw bedrijfsrekening. Als voorwaarde voor liquide middelen in de onderneming geldt dat ze niet duurzaam overtollig mogen zijn. Je moet dus aannemelijk kunnen maken dat je de banksaldi nodig hebt voor de onderneming (voor investeringen of als buffer om verplichtingen na te kunnen komen).

Dit zorgt ook voor een hoger ondernemingsvermogen, wat van belang is voor dotatie aan de fiscale oudedagsreserve.

Let op!
Pas op voor de antimisbruikmaatregelen tegen boxhoppen. Vermogen dat vóór 1 januari vanuit box 3 naar de onderneming wordt overgebracht én dat niet langer dan zes aaneengesloten maanden binnen deze box wordt gebruikt, rekent de fiscus toe aan beide boxen. Dubbel belasting betalen is het gevolg. Voor vermogen dat langer dan drie maanden, maar minder dan zes maanden van box is verwisseld, heb je de mogelijkheid de dans te ontspringen door zakelijke motieven te bewijzen.

Houd bij winstbepaling rekening met toeslagen

Als ondernemer in de inkomstenbelasting kun je de hoogte van de winst op het einde van het jaar voor een deel zelf beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan al dan niet versneld afschrijven voor starters en voor de Vamil (milieu-investeringen), al dan niet doteren aan de oudedagsreserve en aan het al dan niet vormen van voorzieningen en reserves.

Houd bij deze beslissingen ook rekening met jouw eventuele recht op toeslagen, nu en in de toekomst. Heb je bijvoorbeeld dit jaar geen recht op toeslagen, maar volgend jaar wel omdat je dan een huurwoning betrekt of gebruik gaat maken van kinderopvang, dan kun je waarschijnlijk beter pas volgend jaar jouw winst drukken, dan dat je dit nu al doet. Uiteraard alleen als het verschil de moeite waard is en je het je financieel kunt veroorloven.

Let op!
Stel dat je door het (uiteraard geoorloofd) schuiven met inkomsten en/of aftrekposten jouw winst volgend jaar met € 10.000 kunt verlagen, waardoor jouw inkomen geen € 35.000 bedraagt, maar € 25.000. Als je in die situatie het volgende jaar een huurwoning betrekt en voor twee kinderen kinderopvang afneemt, dan kan je dit zomaar ruim € 3.200 aan extra toeslag schelen.

Welke beloning voor meewerkende partner?

Is jouw partner niet bij jou in loondienst, maar werkt hij of zij wel mee in het bedrijf, dan kun je hiermee fiscaal rekening houden. Je kunt kiezen voor de meewerkaftrek, een percentage van de winst dat afhankelijk is van het aantal meegewerkte uren. Je kunt echter ook kiezen voor de arbeidsbeloning. Dit moet een reëel uurloon zijn voor de verrichte werkzaamheden en dient in een jaar minimaal € 5.000 te bedragen.

Let op!
De meewerkaftrek heeft geen gevolgen voor het inkomen van jouw partner. De arbeidsbeloning wel, want jouw partner wordt hier zelf voor belast en betaalt hier ook premies Zvw over. Bereken wat voor jou de voordeligste optie is en pas deze toe. Je mag jaarlijks voor een andere beloningsvorm kiezen als je dat wilt. Zorg wel dat je een eventuele meewerkbeloning schriftelijk vastlegt en ook daadwerkelijk betaalt. Voor de meewerkaftrek is dat niet nodig.

Deel de bijtelling met jouw partner

Werkt jouw partner mee in jouw onderneming en valt hij of zij in een lagere belastingschijf? Deel de bijtelling voor de auto dan met jouw partner. Je betaalt dan samen wellicht minder belasting. Valt jouw inkomen in de hoogste schijf (51,75%) en dat van jouw partner in schijf 2 of 3 (38,1%), dan heb je bijvoorbeeld bij een auto met een cataloguswaarde van € 40.000 en 22% bijtelling samen een voordeel van € 516.

Let op!
Een verdeling is fiscaal aanvaardbaar als aannemelijk is dat jouw partner de auto ook gebruikt voor de werkzaamheden in het bedrijf en privé.

Verzoek om compensatie Bbz

Ondernemers die door financiële tegenslag in de bijstand terechtkomen, krijgen in de regel eerst een lening. Deze wordt na een jaar kwijtgescholden indien de lening niet kan worden terugbetaald. De lening wordt op dat moment aangemerkt als inkomen, waardoor meer belasting verschuldigd is en minder recht op toeslagen bestaat. Dit ongewenste effect blijft door een wetswijziging sinds 2017 achterwege. Besloten is om wat betreft de toeslagen een compensatieregeling te treffen voor ondernemers van wie in de jaren 2014, 2015 en 2016 een dergelijke lening is kwijtgescholden. Ondernemers die voor deze compensatie in aanmerking willen komen, moeten daartoe een schriftelijk verzoek richten tot de Belastingdienst. Het verzoek moet vergezeld gaan van bewijsstukken waaruit blijkt dat men voor de regeling in aanmerking komt.

Let op!
De compensatie kan tot uiterlijk 30 juni 2020 worden aangevraagd.

Houd rekening met vermogenstoets toeslagen

Lagere inkomens hebben vaak recht op een of meer toeslagen. We kennen de zorgtoeslag, de huurtoeslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget. Voor alle toeslagen, behalve de kinderopvangtoeslag, geldt een zogenaamde vermogenstoets. Dit betekent dat je geen recht hebt op de toeslag als jouw vermogen te groot is. De toetsdatum is 1 januari. Voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget geldt voor 2019 een toetsvermogen van maximaal € 114.776. Heb je een partner, dan geldt een maximum van € 145.136 voor jullie vermogen gezamenlijk. Voor de huurtoeslag geldt een maximumvermogen van € 30.360 (respectievelijk € 60.720 als je een partner hebt).

Tip!
Heb je een vermogen rond de genoemde maxima én recht op een of meer toeslagen, dan kan het raadzaam zijn jouw vermogen te drukken. Bijvoorbeeld door een deel van uw hypotheek af te lossen of een geplande, grotere aankoop naar voren te halen. Ook kan het voor ondernemers raadzaam zijn om binnen de fiscale mogelijkheden minder vermogen uit het bedrijf naar privé over te brengen.

Speel in op nieuwe fietsenregeling

In 2020 wordt een nieuwe regeling voor de fiets van de zaak ingevoerd. Net als bij de auto van de zaak wordt een bijtelling berekend over de consumentenadviesprijs van de fiets, als deze voor privégebruik ter beschikking staat. Als de fiets ter beschikking staat voor woon-werkverkeer, wordt je verondersteld de fiets ook privé te gebruiken. De bijtelling voor de fiets gaat 7% bedragen. Deze bijtelling wordt tot jouw inkomen gerekend en hierover betaal je belasting. De bijtelling omhelst niet eventuele accessoires die worden aangeschaft, zoals regenpakken, fietstassen etc.

Tip!
Je kunt op de regeling inspelen door een fiets pas vanaf 2020 op de zaak te zetten. Tot die tijd kun je bijvoorbeeld de eigen fiets gebruiken voor zakelijke ritten, waaronder woon-werkverkeer, en hiervoor € 0,19/km ten laste van de winst brengen. Als het nog lukt, kun je ook met de Belastingdienst afstemmen nu al de 7%-bijtelling toe te passen.

De nieuwe fietsregeling zal gaan gelden voor alle soorten fietsen, en zelfs voor bromfietsen die mede door spierkracht worden voortbewogen en beschikken over een elektromotor. Deze laatste categorie ziet met name op de speed-pedelecs.

Werk volgens een modelovereenkomst

Als je een derde inhuurt voor het verlenen van diensten, kun je via een door de Belastingdienst goedgekeurde modelovereenkomst zekerheid krijgen over het al dan niet bestaan van een dienstbetrekking. Maak je gebruik van een modelovereenkomst, dan heb je alleen vrijwaring voor het inhouden en afdragen van loonheffingen als ook daadwerkelijk volgens die overeenkomst wordt gewerkt. Wordt in de praktijk afwijkend gewerkt, dan vervalt de vrijwaring en kan de Belastingdienst alsnog op dat moment beoordelen of wel of niet sprake is van een dienstbetrekking, met daarbij risico’s op forse naheffing van loonheffingen.

De Belastingdienst heeft aangegeven dat er tot 2021 in beginsel niet wordt nageheven en beboet als er achteraf sprake blijkt te zijn van een dienstbetrekking en de opdrachtgever geen loonheffing en premies werknemersverzekeringen heeft ingehouden en afgedragen. Dit zal alleen anders zijn als er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking én er sprake is van evidente en opzettelijke schijnzelfstandigheid. Vanaf oktober 2019 heeft de Belastingdienst het toezicht op naleving van de wettelijke voorschriften wel verscherpt. Ook worden er aanwijzingen gegeven als er bij controle toch sprake blijkt van een dienstbetrekking. Op grond van deze aanwijzingen dien je de situatie dan in beginsel binnen drie maanden aan te passen. Gebeurt dit niet, dan kan de Belastingdienst toch naheffingen en boetes opleggen.

Let op!
Het kabinet Rutte III heeft bekendgemaakt de Wet DBA, de wet die aan de modelovereenkomst ten grondslag ligt, weer te willen vervangen. Deze in 2016 ingevoerde wet ter vervanging van de VAR (verklaring arbeidsrelatie) zorgt voor te veel onzekerheid en onrust onder zzp’ers en hun opdrachtgevers. In plaats daarvan komt er een nieuwe wet, die opdrachtgevers en echte zzp’ers de zekerheid geeft dat geen sprake is van een dienstbetrekking. Beoogd is de wet per 2021 in te voeren.

Optimaliseer jouw kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

1.            Rondom de investeringsaftrek is er een aantal zaken om rekening mee te houden:

Het moment van het aangaan van investeringsverplichtingen (geven opdracht, ondertekening offerte e.d.) in combinatie met de tabel van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Het percentage aan aftrek is het hoogst als het totaal aan verplichtingen ligt tussen € 2.300 en € 57.300. Het plannen, en voor zover mogelijk het spreiden, van investeringsverplichtingen loont vaak de moeite.

2.            Om de investeringsaftrek ook daadwerkelijk in de aangifte inkomstenbelasting 2019 mee te mogen nemen, moet het bedrijfsmiddel in gebruik genomen zijn in 2019 óf er moet voldoende aanbetaald zijn. Anders schuift de aftrek door naar latere jaren. Afhankelijk van de verwachte winsten kan het aantrekkelijk zijn nog in 2019 een aanbetaling te doen. Let daarbij wel op risico’s bij faillissement van de leverancier.

Let op!
Betaal in ieder geval 25% van een nog niet in gebruik genomen investering binnen 12 maanden na het aangaan van de verplichting tot aankoop van het bedrijfsmiddel. Doe je dit niet, dan komt de hele investeringsaftrek te vervallen (tenzij sprake is van overmacht).

Heb je in de afgelopen vijf jaar (dus in de periode tussen 2015 en 2019) gebruikgemaakt van de investeringsaftrek en verkoop je het bedrijfsmiddel weer of ruil je deze in, dan krijg je mogelijk te maken met de desinvesteringsbijtelling, waardoor je een gedeelte van de aftrek weer moet terugbetalen. Houd hier rekening mee en wacht, voor zover mogelijk, met de desinvestering. Dit is bijvoorbeeld van belang als je een milieuvriendelijke auto, waarvoor je MIA hebt gekregen, verkoopt binnen vijf jaar.

Let op!
Niet alle bedrijfsmiddelen komen in aanmerking voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Zo zijn bedrijfsmiddelen met een investeringsbedrag van minder dan € 450 uitgesloten, maar ook uitgesloten zijn bijvoorbeeld goodwill, grond, woonhuizen en personenauto’s die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer.

Maximeer investeringsaftrek bij gebruik herinvesteringsreserve 

Als je een bedrijfsmiddel met boekwinst verkoopt, kun je de belastingheffing over de boekwinst uitstellen door deze te reserveren in een herinvesteringsreserve. Bij latere aankoop van een ander bedrijfsmiddel kun je de herinvesteringsreserve hierop afboeken. Zodoende hoef je de boekwinst niet ineens af te rekenen bij verkoop van het bedrijfsmiddel.

Tip!
Voor de bepaling van de investeringsaftrek mag je kiezen of je met een afgeboekte herinvesteringsreserve rekening wenst te houden. Je mag dit zelfs per bedrijfsmiddel aangeven. Op deze manier kunt je er – binnen zekere grenzen – een maximale investeringsaftrek uit slepen.

Let op!
Als je voor een bedrijfsmiddel ook de milieu- of energie-investeringsaftrek (MIA/EIA) krijgt, moet je voor deze aftrekken wel uitgaan van hetzelfde bedrag. Een hogere investeringsaftrek door afboeking van de herinvesteringsreserve kan dan dus een lagere MIA of EIA opleveren.

Vorm een herinvesteringsreserve voor een verkocht bedrijfsmiddel

Heb je een bedrijfsmiddel verkocht en daarbij een boekwinst behaald, dan kun je de belastingheffing over de boekwinst uitstellen door deze te reserveren in een herinvesteringsreserve. Voorwaarde is dat je een vervangingsvoornemen hebt en houdt. Je kunt de herinvesteringsreserve in stand houden gedurende maximaal drie jaar na het jaar waarin je het bedrijfsmiddel hebt verkocht. Investeer je binnen deze termijn in een ander bedrijfsmiddel, dan boek je de herinvesteringsreserve af op de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Investeer je niet tijdig in een ander bedrijfsmiddel, dan valt de herinvesteringsreserve aan het einde van het derde jaar in de winst. Door de verlaging van de tarieven de komende jaren, kunnen een reservering en een latere vrijval toch voordelig zijn. Het is dan ook in veel gevallen voordelig om zo mogelijk een herinvesteringsreserve te vormen.

Voor het vormen en aanwenden van een herinvesteringsreserve gelden enkele voorwaarden. Laat je hierover goed informeren en adviseren.

Laat jouw herinvesteringsreserve niet verlopen

Laat de termijn voor in het verleden gevormde herinvesteringsreserves niet verlopen. Een herinvesteringsreserve die je in 2016 hebt gevormd, moet je nog voor 31 december 2019 benutten. Doe je dat niet, dan valt de herinvesteringsreserve vrij en ben je belasting verschuldigd. Investeer daarom op tijd!

Let op!
Op de termijn van drie jaar waarbinnen je moet herinvesteren, bestaan twee uitzonderingen. De eerste is als vanwege de aard van het bedrijfsmiddel meer tijd nodig is. Denk bijvoorbeeld aan de investering in een chemische fabriek waarvoor diverse vergunningen nodig zijn. De tweede uitzondering is van toepassing als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de aankoop is vertraagd. Er moet in dat geval wel op zijn minst een begin van uitvoering met de aankoop gemaakt zijn. Ook zul je de vertragende factoren desgewenst aannemelijk moeten maken.

Voorkom verliesverdamping

Beoordeel of jouw ondernemingsverlies uit het verleden nog tijdig kan worden verrekend. Je kunt namelijk in de vennootschapsbelasting jouw verlies alleen verrekenen met de belastbare winst uit het voorafgaande jaar (carry-back) of met de winsten uit de komende zes jaar (carry-forward). Jouw ondernemingsverlies in de inkomstenbelasting kun je verrekenen met positieve inkomsten in box 1 uit de drie voorafgaande jaren en de negen volgende jaren.

Tip!
Dreigt jouw verlies uit het verleden verloren te gaan vanwege het verlopen van de termijn? Beoordeel dan of er mogelijkheden zijn om jouw winst dit jaar te verhogen. Je kunt bijvoorbeeld bepaalde uitgaven uitstellen of omzetten eerder realiseren. Een in januari geplande verkoop van een bedrijfsmiddel wordt dan wellicht in december extra aantrekkelijk. Overleg met jouw adviseur over de mogelijkheden.

Let op!
De voorwaartse verliesverrekening voor de vennootschapsbelasting is in 2019 teruggebracht van negen naar zes jaar. Op deze vorm van verliesverrekening is overgangsrecht van toepassing. Dit betekent dat de nieuwe, kortere termijn van voorwaartse verliesverrekening niet geldt voor verliezen die tot 2019 zijn geleden. Deze verliezen houden gewoon hun bestaande verrekentermijn van negen jaar en verdampen dus uiterlijk pas na 2027.
Verder geldt dat de hoofdregel dat oudere verliezen vóór nieuwere verliezen verrekend worden, niet geldt als dit in de nieuwe situatie ongunstig uitpakt voor de belastingplichtige. Op deze manier worden de bestaande regels zo veel mogelijk gerespecteerd.

Vraag voorlopige verliesverrekening aan

Heb je in 2018 winst behaald, maar sluit je 2019 vermoedelijk af met een verlies? Dan kun je de Belastingdienst na het indienen van de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting 2019 verzoeken om een voorlopige verliesverrekening. De Belastingdienst zal dan alvast 80% van het vermoedelijke verlies verrekenen met de winst van 2018.

Let op!
Een voorlopige verliesverrekening levert jou een liquiditeitsvoordeel op, want je kunt sneller beschikken over een deel van het nog terug te verwachten belastinggeld. De voorlopige verliesverrekening wordt naderhand verrekend met de definitieve verliesverrekening.

Beoordeel de hoogte van jouw winst

Aan het eind van het jaar heb je meer duidelijkheid over jouw winstpositie. Beoordeel of jouw winst in lijn ligt met de verwachtingen. Wellicht overschrijd je net de belastingschijf in de vennootschapsbelasting van € 200.000. Hierboven bedraagt de belasting 25% in plaats van 19%. Of kom je in de inkomstenbelasting in het hoogste tarief. Het kan dan aantrekkelijk zijn om jouw winst te verlagen door bijvoorbeeld een geplande investering naar voren te halen. Houd hierbij wel rekening met de invloed die dit heeft op jouw totale kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.

Tip!
Wijkt jouw winst af, vraag dan op tijd een nieuwe voorlopige aanslag aan. Hiermee voorkom je de hoge belastingrente. Bij een teruggave voorkom je dat jouw geld renteloos uitstaat bij de Belastingdienst.

Verzoek om vergoeding coulancerente

Je hebt geen wettelijk recht op een rentevergoeding bij verrekening van een verlies met winst uit een ouder jaar. Dit geldt zowel voor de inkomsten- als voor de vennootschapsbelasting. In die gevallen kun je wel verzoeken om vergoeding van coulancerente. Een dergelijk verzoek wordt ingewilligd, op voorwaarde dat de behandeling van jouw verzoek om teruggave langer heeft geduurd dan gebruikelijk.

Hiervan is sprake als bij het vaststellen van de verliesverrekening het afhandelen van de aangifte langer dan een jaar heeft geduurd. Dit moet te wijten zijn aan getreuzel bij de Belastingdienst. De schuld voor de vertraging mag dus niet bij jouzelf liggen. Bovendien gaat het alleen om het deel van het verlies waarvoor je geen voorlopige verliesbeschikking hebt kunnen vragen. Je kunt dit vragen voor 80% van het verlies, dus slechts voor 20% van het verlies hebt je recht op de vergoeding voor coulancerente.

Let op!
Een verzoek om coulancerente kun je indienen via een formulier dat je kunt downloaden vanaf de site van de Belastingdienst, zoekterm ‘verzoek coulancerente’.

Tip!
Het percentage coulancerente bedraagt voor de inkomstenbelasting 4% en voor de vennootschapsbelasting ook 4%.

Vervroeg de aanschaf van een bedrijfspand

Bij aankoop van onroerend goed ben je overdrachtsbelasting verschuldigd. Voor niet-woningen is het tarief 6%. Per 2021 gaat dit tarief omhoog naar 7%. Het is daarom aan te bevelen de voorgenomen aankoop van een bedrijfspand zo mogelijk nog vóór 2021 te realiseren.

Let op!
Een stijging van 1% lijkt wellicht niet veel, maar betekent wel dat de af te dragen overdrachtsbelasting met 16,67% toeneemt.

Lees alle eindejaarstips

Iris  Rooyakkers

Iris Rooyakkers

Belastingadviseur vaktechniek

088 2531036 | irooyakkers@alfa.nl


Meer over Iris