Banner

Rendementsoptimalisatie binnen fosfaatrechten

5 maart 2019 | Door:  Hans de Bie

Het eerste jaar met fosfaatrechten zit er inmiddels op en heeft de nodige inzichten wat betreft sturing opgeleverd. Vaak wordt een maximale melkproductie per kg fosfaat genoemd als succesfactor, die moet leiden tot het maximale bedrijfsresultaat. Maar is deze interpretatie van rendementsoptimalisatie binnen het fosfaatplafond wel de juiste denkrichting?

Het jaar 2019 staat voor veel melkveehouders in het teken van het sturen op de fosfaatproductie en het aantal beschikbare fosfaatrechten. Als er geen evenwicht is, moet er worden bijgestuurd, bijvoorbeeld door de veestapel in te krimpen of door een fosfaatrechten aan te kopen. En hoe optimaliseer je dan je rendement binnen je beschikbare fosfaatrechten? Vakblad Veeteelt heeft hier ook aandacht aan besteed in een artikel in het februari 2 nummer van februari 2019.

Fosfaatrechten zijn vastgesteld op basis van een forfaitaire mestproductietabel, die gebaseerd is op melkproductiecategorieën. Hieruit blijkt dat een hogere individuele melkproductie per kg fosfaat efficiënter is door een lagere onderhoudsbehoefte van het individuele dier. Oftewel, hoe hoger de gemiddelde melkproductie per koe, hoe hoger de forfaitaire fosfaatexcretie.

Voor het jongvee zijn vaste productienormen ingesteld voor de verschillende diercategorieën. Er wordt veelal gefocust op de melkproductie per koe en optimalisatie van de noodzakelijke jongveebezetting.

“Ter illustratie: als het vervangingspercentage met 5% daalt bij een melkveebedrijf met 100 stuks melkvee, kan dit de melkproductie laten stijgen met 30.000 kg.”

Wordt deze focus op optimalisatie binnen fosfaatrechten het hoofddoel binnen het bedrijf? Dan ontstaat de vraag of dit de aandacht niet afhaalt van de eigenlijke bedrijfsdoelstelling; veelal rentabiliteit. Uiteraard verschilt de focus op optimalisatie binnen fosfaatrechten per bedrijf.

In de praktijk betekent dit dat naast het vraagstuk over een hogere fosfaatbenutting binnen het fosfaatrechtenstelsel nog een vraagstuk ontstaat. Namelijk: hoe kan een hogere benutting van eigen ruwvoer worden gerealiseerd en op welke manier kan de (dure) productiefactor grond worden geoptimaliseerd?

Kilogram vet en eiwit bepalend voor het melkgeld

De hoeveelheid vet en eiwit zijn een belangrijke factor omdat de uitbetaling van het melkgeld overwegend plaatsvindt op basis van de afgeleverde hoeveelheid vet en eiwit.

De focus op een verhoging van de melkproductie per koe door een hoger krachtvoerniveau leidt vaak tot een (beperkte) daling van de gehalten, met een gelijkblijvende tot zelfs een stijging van de totale vet- en eiwitproductie.

Een verhoging van de krachtvoergift leidt tot een lagere inzet van eigen ruwvoer, wat bij zelfvoorzienende bedrijven zorgt voor toename van de ruwvoervoorraden. De vraag is dan hoe en wanneer deze voorraden te gelde worden gemaakt?

Een tegenovergestelde werkwijze leidt bij een beperkte daling van de krachtvoergift vaak tot een stijging van de vet- en eiwitgehalten, een daling van de totale afgeleverde hoeveelheid vet en eiwit, maar wel zonder een toename van de ruwvoervoorraden.

Om de gevolgen van de bovengenoemde mogelijkheden inzichtelijk te maken, volgt hier een berekening. Daarbij is een melkveebedrijf met 5.142 fosfaatrechten en 60 hectare landbouwgrond als uitgangspunt genomen. Zie hiervoor figuur 1.

Figuur 1. Uitgangspunten voorbeeldbedrijfFiguur 1: Uitgangspunten melkveebedrijf

Voor dit melkveebedrijf betekent dit voor de uitgangsituatie – met een inzet van 27 kg krachtvoer per 100 kg melk – dat er een ruwvoeroverschot mag worden verwacht van 26.432 kg ds. (zie figuur 2). Concreet betekent dit dat 2,4 ha grasland niet benodigd is voor de ruwvoerteelt.

Figuur 2: Berekening drogestof behoefte veestapel.

De gevolgen van een lagere of juist een hogere inzet van aangekochte voeders worden hierna besproken.

Krachtvoerkraan open of dicht

Het dichter draaien van de krachtvoerkraan laat een voorspelde daling van jaarlijks 672 kg zien aan af te leveren vet en eiwit. Een tegenovergestelde actie leidt tot een stijging van 610 kg vet en eiwit die wordt afgeleverd aan de fabriek.

Kijkend naar de ruwvoerpositie ontstaat bij een lager krachtvoerniveau een ruwvoertekort van 15.500 kg ds. en bij het hogere krachtvoerniveau een overschot van maar liefst 67.000 kg ds.

Deze constatering verklaart voor een groot deel dat de ruime ruwvoervoorraden slechts gedeeltelijk worden veroorzaakt door de bovengemiddelde groeiseizoenen. Indien een melkveehouder niet in de gelegenheid is om de overtollige hectares rendabel in zetten voor een externe inkomstenstroom, is het wenselijk om de strategie ‘krachtvoerkraan open’ te heroverwegen.

Figuur 3. De technische gevolgen van lagere of juist hogere inzet van aangekochte voeders.

Economisch belicht

Het voorbeeldbedrijf realiseert met een lager krachtvoerniveau ondanks een lagere totale melkopbrengst een hoger voersaldo van 2.210 euro t.o.v. de uitgangsituatie (zie figuur 4).

Als het tekort van 15.000 kg ds. wordt opgevangen door in te teren op de eigen ruwvoervoorraad, loopt het voordeel op korte termijn op tot 3.910 euro.

In het voorbeeldbedrijf ontstaat bij een hogere krachtvoergift, naast de niet te gelde gemaakte ruwvoervoorraad door de aankoop van meer krachtvoer, een nadeel van 8.100 euro.

Figuur 4. De economische gevolgen van lagere of juist hogere inzet van aangekochte voeders.

Conclusies

Wie uitsluitend of hoofdzakelijk focust op efficiëntiegetallen, zoals de melkproductie per kg fosfaat, riskeert daarmee dat zijn aandacht wordt afgeleid van optimalisatie van het netto bedrijfsresultaat door de aanwezige productiemiddelen (grond, vee en arbeid) efficiënt in te zetten. De inzet van het aanwezige ruwvoer en de daarop aanvullend aangekochte voeders vraagt om een juiste afweging. Die is nodig om tot een economisch optimale melkproductie te komen, waarbij de hoogte van de melkproductie per koe niet van doorslaggevend belang is, maar het totale rendement van het bedrijf.

Optimalisatie van de jongveeopfok en het transitiemanagement kunnen wel degelijk directe invloed hebben op de efficiëntie kg melk/kg fosfaat. Wanneer het vervangingspercentage 5% daalt, draagt dit voor het aangegeven melkveebedrijf bij aan een stijging van 30.000 kg afgeleverde melk, ongeacht het vet- en eiwitpercentage.

Wanneer de optimalisatie van de ruwvoerkwaliteit en diergezondheid planmatig worden aangepakt, is het mogelijk om uit eigen ruwvoer meer vet en eiwit te produceren, zonder een toenemende ruwvoervoorraad. Zo kan binnen het huidige fosfaatplafond het bedrijfsresultaat worden verhoogd.

Als melkveehouder zal je de komende jaren in staat moeten zijn om met je eigen uitgangspunten (grond, vee, arbeid en kapitaal) tot een optimale inzet te komen van de afzonderlijke productiefactoren. Het kunnen meeveren met marktomstandigheden, zoals wisseling in de melkprijs, kan het perspectief vergroten.

Nieuwe keuzes op het gebied van fokkerij en (bijvoorbeeld) melkstroomdifferentiatie zullen ook moeten passen binnen de mogelijke inzet van de grond, vee en arbeid om bij te kunnen dragen aan een volwaardig gezinsinkomen op de lange termijn.

Benieuwd naar de rendementsoptimalisatie binnen jouw fosfaatrechten? Neem contact op met een specialist van Alfa. Met meer dan 30 vestigingen is Alfa altijd dichtbij.

Wil je alles weten over fosfaatrechten? Zie fosfaatrechten.

Hans de Bie

Hans de Bie

Marktmanager Food & Agri

088 253 1015 | hdebie@alfa.nl


Meer over Hans